info@deschelm.be
Vinders van WOI-explosief moeten eerst oorspronkelijke eigenaar proberen op te sporen

De twee arbeiders die vorige week bij grondwerken in Westerzele een niet-ontploft explosief aantroffen, zijn wettelijk verplicht om zelf te achterhalen van wie het voorwerp is. Dat bevestigt de gemeentelijke dienst gevonden voorwerpen. De vondst valt onder dezelfde regeling die geldt voor verloren geld, sieraden, goud en andere lichamelijke zaken: wie iets vindt, wordt daar niet automatisch eigenaar van.
De regeling schrijft voor dat de vinder in de eerste plaats redelijke inspanningen levert om de rechtmatige eigenaar te vinden. Lukt dat niet, dan volgt binnen de zeven dagen een melding bij de gemeente. Beide arbeiders hebben die termijn gerespecteerd.
Diensthoofd Bart Coppens (52) benadrukt dat de dienst het dossier volledig volgens de gebruikelijke procedure behandelt. “Wij maken geen onderscheid naar waarde. Dat zou willekeur zijn.”
De gemeente heeft intussen een oproep gepubliceerd. Wie zich meldt en kan aantonen dat het voorwerp hem toebehoort, kan het opeisen. Daarvoor loopt een termijn van vijf jaar. In het register staat de vondst omschreven als een cilindervormig metalen voorwerp, sterk verroest, met inhoud.
“De regeling maakt geen verschil tussen wat u graag vindt en wat u liever niet had gevonden.”
Vernietigen mocht niet. Volgens de dienst is het onbruikbaar maken van een aangetroffen voorwerp een daad van eigendom, en staat pas over vijf jaar vast wie die daad mag stellen. De ontmijningsdienst heeft daarop schriftelijk gevraagd of de vinders het voorwerp tot ontploffing gebracht wensen te zien. Die vraag bleek voorbarig. “De vinders zijn de eigenaars niet”, zegt Coppens.
Tot de termijn verstrijkt mocht de vinder het voorwerp zelf bewaren, of het in bewaring geven bij de gemeente. De arbeiders kozen voor het tweede. Het explosief ligt sindsdien in de kelder van het gemeentehuis, waar de gevonden voorwerpen worden bewaard.
De ontmijningsdienst heeft daarbij bewaarvoorschriften bezorgd, die de dienst naar eigen zeggen integraal opvolgt. Het voorwerp ligt apart, wordt niet gestapeld en wordt bij de jaarlijkse inventaris niet opgetild maar geteld ter plaatse. Coppens ziet daar niets bijzonders in. “De regeling maakt geen verschil tussen wat u graag vindt en wat u liever niet had gevonden.”
Wie meent de rechtmatige eigenaar te zijn, kan het voorwerp op afspraak komen bekijken tijdens de openingsuren van het loket. Aanspraken moeten worden gestaafd: de dienst denkt aan foto’s, een aankoopbewijs of verklaringen van getuigen. Bij die gelegenheid wordt de eigenaar ook gevraagd of hij het voorwerp vernietigd wenst te zien.
Mocht het voorwerp tijdens de bewaartermijn spontaan van toestand veranderen, dan wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt.
Wordt het voorwerp na vijf jaar niet opgeëist, dan volgt de laatste stap uit de regeling. Omdat de vondst in de grond van een derde zat, wordt ze in dat geval half om half verdeeld tussen de vinders en de eigenaar van het perceel.
“Wat er dan precies verdeeld wordt”, zegt Coppens, “is een vraag voor over vijf jaar.”




